English
Flemish Phrases
Greeting
Hi! Hallo! Hey!
Good morning! Goeiemorgen!
Good afternoon! Goeie(na)middag!
Good evening! Goeie avond!
Welcome! (to greet someone) Welkom!
How are you? (friendly) Hoe gaat het?
How are you? (polite) Hoe gaat het (met u)?
I'm fine, thank you! Goed, dank u!
And you? (friendly) And jij?
And you? (polite) En met u?
Good Goed
Not so good Niet zo goed
Long time no see Het is lang geleden
I missed you Ik heb u gemist
What's new? Welk nieuws?
Nothing new Niet nieuws
Thank you (very much)! Dank u (wel)
You're welcome! (for "thank you") Graag gedaan!
My pleasure Graag gedaan
Come in! (or: enter!) Kom binnen!
Make yourself at home! Doe alsof ge thuis zijt!/Doe alsof je thuis bent!
Farewell Expressions
Have a nice day! Nog een prettige dag! / Prettige dag nog!
Good night! Goeienacht!
Good night and sweet dreams! Goeienacht en slaap wel!
See you later! Tot straks!
See you soon! Tot binnenkort!
See you tomorrow! Tot morgen!
Good bye! Da-aag!
Have a good trip! Goeie reis!
I have to go Ik moet weg/gaan
I will be right back! Ik kom direct terug!
Holidays and Wishes
Good luck! Veel succes/veel geluk!
Happy birthday! Gelukkige verjaardag!
Happy new year! Gelukkig Nieuwjaar!
Merry Christmas! Zalig Kerstfeest!
Happy Easter! Zalig Pasen/Paasfeest!
Congratulations! Gefeliciteerd!
Enjoy! (or: bon appetit) Smakelijk!
Bless you (when sneezing) Gezondheid!
Best wishes! Beste Wensen!
Cheers! (or: to your health) Gezondheid!
Accept my best wishes Beste wensen
How to Introduce Yourself
What's your name? Hoe heet je/Wat is uw naam? (formal)
My name is (John Doe) Ik heet (John Doe)
Nice to meet you! Aangenaam! (formal)/ Blij u te leren kennen (very informal)
Where are you from? Van waar zijt ge/ben je/bent u?
I'm from (the U.S/ the Netherlands) Ik kom van de US(A)/Amerika/VS - Nederland.
I'm (American/ Dutch) Ik ben Amerikaans/Vlaams.
Where do you live? Waar woont ge/woon je?
I live in (the U.S/ the Netherlands) Ik woon in de US(A)/Amerika/VS - in Nederland.
Do you like it here? Vindt ge/Vind je het leuk/plezant hier?
the Netherlands is a beautiful country Nederland is een mooi land
What do you do for a living? Wat doet ge/doe je?
I'm a (teacher/ student/ engineer) Ik ben (leraar/student/ingenieur)
Do you speak (English/ Flemish)? Spreekt ge/Spreek je (Engels/Vlaams)?
Just a little Een beetje
I like Flemish Ik hou van Vlaams
I'm trying to learn Flemish Ik probeer Vlaams te leren
It's a hard language Het is een moeilijke taal
It's an easy language Het is een gemakkelijke taal
Oh! That's good! Oh! Dat is leuk/goed!
Can I practice with you? Mag ik oefenen met u/je?
I will try my best to learn Ik zal mijn best doen om te leren
How old are you? Hoe oud zijt ge/ben je?
I'm (twenty one, thirty two) years old Ik ben (eenentwintig, tweeëndertig) (jaar oud)
It was nice talking to you! Het was leuk/fijn/plezant met u/je te praten/spreken
It was nice meeting you! Het was leuk u te leren kennen
Mr.../ Mrs. .../ Miss... meneer…/mevrouw… "miss" = juffrouw, but is rarely used.
This is my wife Dit is mijn vrouw
This is my husband Dit is mijn man
Say hi to Thomas for me Doe Thomas de groetjes/groeten van mij
Romance and Love Phrases
Are you free tomorrow evening? Zijt ge/Ben je vrij morgenavond?
I would like to invite you to dinner Ik zou u/je graag mee uitvragen voor een etentje
You look beautiful! (to a woman) Ge/Je ziet er mooi uit!
You have a beautiful name Ge/Je hebt een mooie naam
Can you tell me more about you? Kan je een beetje meer over uzelf/jezelf vertellen?
Are you married? Zijt ge/Ben je getrouwd?
I'm single Ik ben vrijgezel/single.
I'm married Ik ben getrouwd
Can I have your phone number? Ik zou graag uw telefoonnummer hebben…
Can I have your email? Ik zou graag uw e-mail hebben.../Hebt ge/Heb je een e-mailadres?
Do you have any pictures of you? Hebt ge/heb je foto's van u/jezelf?
Do you have children? Hebt ge/heb je kinderen?
Would you like to go for a walk? Hebt ge/heb je zin in een wandelingetje?
I like you Ik vind u/je leuk
I love you Ik hou van u/je
You're very special! Pukety puke! Unless you're a raging pervert, don't ever say this!
You're very kind! Ge zijt/je bent heel lief
I'm very happy Ik ben heel gelukkig
Would you marry me? Wilt ge/je met mij trouwen?
I'm just kidding Dat was aan grapje
I'm serious Ik ben serieus
My heart speaks the language of love mijn hart spreekt de taal van de liefde
Solving a Misunderstanding
Sorry! (or: I beg your pardon!) Excuseer!/Sorry!
Sorry (for a mistake) Excuseer! (formal)/Sorry!
No problem! Geen probleem!
Can you repeat please? Kunt u dat herhalen alstublieft?
Can you speak slowly? Kunt u wat trager spreken?
Can you write it down? Kunt u dat eens opschrijven?
Did you understand what I said? Hebt ge/Heeft u verstaan wat ik gezegd heb?/mij verstaan?
I don't understand! Ik begrijp het niet!
I don't know! Ik weet het niet!
What's that called in Flemish? Wat is dat in het Vlaams?
What does that word mean in English? Wat betekent dat woord in het Engels?
How do you say "thanks" in Flemish? Hoe zeg ik, 'thank you' in het Vlaams?
What is this? Wat is dit?
My Flemish is bad Mijn Vlaams is slecht
Don't worry! Maak(t) u/je geen zorgen
I agree with you Ik ben akkoord met u
Is that right? Is dat juist?
Is that wrong? Is dat verkeerd/fout?
What should I say? Wat moet ik zeggen?
I just need to practice Ik moet alleen een beetje oefenen
Your Flemish is good Uw/je Vlaams is goed
I have an accent Ik heb een accent
You don't have an accent U/je heeft/hebt geen accent
Asking for Directions
Excuse me! (before asking someone) Excuseer!
I'm lost Ik ben de weg kwijt
Can you help me? Kunt u mij helpen?
Can I help you? Kan ik u helpen?
I'm not from here Ik ben niet van hier
How can I get to (this place, this city)? Hoe ga ik naar (deze plaats/deze stad)?
Go straight Ga rechtdoor
Then dan
Turn left sla links af
Turn right sla rechts af
Can you show me? Kunt u mij dat tonen?
I can show you! Ik kan het u tonen!
Come with me! Kom met me mee!
How long does it take to get there? Hoe lang duurt het om er te geraken?
Downtown (city center) stadscentrum
Historic center (old city) het historisch centrum
It's near here het is dichtbij
It's far from here het is ver van hier
Is it within walking distance? is het op wandelafstand?
I'm looking for Mr. Smith Ik zoek de heer/meneer Smith
One moment please! een moment(je) alstublieft!
Hold on please! (when on the phone) een moment(je) alstublieft!
He is not here hij is er niet
Airport luchthaven
Bus station busstation/bushalte
Train station station
Taxi taxi
Near dichtbij
Far ver(af)
Emergency Survival Phrases
Help! help!
Stop! stop!
Fire! brand!
Thief! houd de dief!
Run! lopen!
Watch out! (or: be alert!) Pas op!
Call the police! bel de politie!
Call a doctor! bel een dokter!
Call the ambulance! bel een ambulance/ziekenwagen!
Are you okay? is alles ok?
I feel sick ik ben misselijk
I need a doctor ik he een dokter nodig
Accident ongeluk
Food poisoning voedselvergiftiging
Where is the closest pharmacy? waar is de dichtstbijzijnde apotheek?
It hurts here hier doet het pijn
It's urgent! het is dringend!
Calm down! calmeer (u)!
You will be okay! alles komt goed!
Can you help me? kunt u mij helpen?
Can I help you? Kan ik u helpen?
Hotel Restaurant Travel Phrases
I have a reservation (for a room) Ik heb gereserveerd
Do you have rooms available? Heeft u kamers vrij?
With shower / With bathroom Met douche/met badkamer
I would like a non-smoking room Ik zou graag een niet-rokerskamer hebben
What is the charge per night? Hoeveel kost het per nacht?
I'm here on business /on vacation Ik ben hier voor het werk/op vakantie
Dirty vuil
Clean proper/(schoon)
Do you accept credit cards? Aanvaardt u credietkaarten?
I'd like to rent a car Ik zou graag een auto huren
How much will it cost? Hoeveel zal dat kosten?
A table for (one / two) please! Een tafel voor (mij/twee), alstublieft!
Is this seat taken? Is deze stoel bezet?
I'm vegetarian Ik ben vegetariër
I don't eat pork Ik eet geen varkensvlees
I don't drink alcohol Ik drink geen alcohol
What's the name of this dish? What is de naam van die schotel?
Waiter / waitress! Meneer!/Mevrouw!
Can we have the check please? De rekening alstublieft.
It is very delicious! Het is heel lekker!
I don't like it Ik vind het niet lekker
Shopping Expressions
How much is this? Hoeveel kost dit?
I'm just looking Ik kijk een beetje
I don't have change Ik heb geen kleingeld
This is too expensive Het is te duur
Expensive duur
Cheap goedkoop/niet duur
Daily Expressions
What time is it? Hoe laat is het?
It's 3 o'clock Het is 3 uur
Give me this! Geef me dat (eens)!
Are you sure? Zijt ge/Ben je/bent u zeker?
Take this! (when giving something) Hier!
It's freezing (weather) Het is koud!
It's cold (weather) Het is koud!
It's hot (weather) Het is warm!
Do you like it? Vindt je/ge het leuk?
I really like it! Ik vindt het echt leuk!
I'm hungry Ik heb honger
I'm thirsty Ik heb dorst
He is funny hij is leuk/grappig
In The Morning 's morgens
In the evening 's avonds
At Night 's nachts
Hurry up! Haast u/je!
Cuss Words (polite)
This is nonsense! (or: this is craziness) Dat is onzin!
My God! (to show amazement) Mijn God!
Oh gosh! (when making a mistake) Oeps!
It sucks! (or: this is not good) Het is jammer (meaning: it's a shame)
What's wrong with you? Wat is er met u/je?
Are you crazy? Ben je gek/Zijt ge zot?
Get lost! (or: go away!) Ga weg!
Leave me alone! Laat me met rust/gerust!
I'm not interested! Ik ben niet geïnteresseerd!
Writing a Letter
Dear John Beste John
My trip was very nice De reis was heel leuk
The culture and people were very interesting de cultuur en mensen waren heel interessant
I had a good time with you Het was leuk met u/je
I would love to visit your country again Ik zou graag uw/je land nog eens bezoeken
Don't forget to write me back from time to time Vergeet niet me eens af en toe te schrijven
Short Expressions and words
Good goed
Bad slecht
So-so (or: not bad not good) zo-zo
Big groot
Small klein
Today vandaag
Now nu
Tomorrow morgen
Yesterday gisteren
Yes ja
No nee
Fast snel/rap
Slow traag
Hot warm/heet
Cold koud
This dit
That dat
Here hier
There daar
Me (ie. Who did this? - Me) ik/mij/me (last two obj)
You gij/jij/je - u/je (last two obj)
Him hij/hem (last obj)
Her zij/haar (last obj)
Us wij/ons (last obj)
Them zij/ze/hen (last two obj)
Really? echt?
Look! kijk!
What? wat?
Where? waar?
Who? wie?
How? hoe?
When? wanneer?
Why? waarom?
Zero nul
One een
Two twee
Three drie
Four vier
Five vijf
Six zes
Seven zeven
Eight acht
Nine negen
Ten tien